Rb. Rotterdam 9 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5091
In bezwaar heeft verweerder na een eerdere voorlopige voorziening (ECLI:NL:RBROT:2020:2339) de last deels herroepen en deels gehandhaafd. Schorsing wegens twijfel aan de rechtmatigheid van de last. De last als bedoeld in artikel 21 lid 1 Warenwet vormt een zogenoemde enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen. Gelet op artikel 5:2 lid 2 Awb vormt een dergelijke last zonder dwangsom, die te vergelijken is met een bindende aanwijzing, geen herstelsanctie. Dit betekent dat het in artikel 5:4 lid 2 Awb neergelegde bepaaldheidsgebod daarop niet van toepassing is en dat verweerder in overeenstemming met de tekst van artikel 21 lid 1 Warenwet beoordelingsruimte toekomt. Niettemin kan door verweerder niet lichtvaardig worden overgegaan tot oplegging van een dergelijke last, alleen al omdat het niet uitvoeren van een dergelijke last, gelet op artikel 21 lid 3 Warenwet een misdrijf oplevert. Verder gelden op grond van het Warenwetbesluit machines, dat op zijn beurt verwijst naar de Machinerichtlijn, specifieke veiligheidsnormen voor de slijpmachine. Het ligt dan ook in de rede dat verweerder zich bij zijn oordeelvorming richt op deze normen. De vraag die daarom voorligt is of de fabrikant of de verhandelaar op de juiste wijze en dus in de juiste volgorde de drie stappen heeft gezet als bedoeld in Bijlage 1, onder punt 1.1.2, onder b, van de Machinerichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl