Rb. Rotterdam 8 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3133
Loongarantieregeling art 61 tm 68 WW, intern beleid UWV dat overgenomen loonbetalingsverplichting niet betaling vakantiegeld en vakantiebijslag omvat bij ontbreken (fictieve) opzegdatum arbeidsovereenkomst; arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd namelijk door verloop van de tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan; loon is bevoorrechte vordering/boedelschuld art 3:288 e BW jo 239 Fw; preferente schuldeisers niet gebonden aan homologatieakkoord art 273 Fw; matiging wettelijke verhoging vanwege tijdsverloop procedure UWV; conservatoire beslagen; art 705 lid 2 Rv opheffing onder meer bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. De beoordeling of er reden is voor opheffing kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen. Van belang kan daarbij zijn de inschatting van enerzijds het risico dat de beslaglegger geen verhaal heeft indien hij over een deugdelijke vordering blijkt te beschikken en anderzijds het risico dat geen verhaal mogelijk zal zijn voor door een onterecht gelegd beslag bij de beslagene ontstane schade.
De uitspraak op rechtspraak.nl