Rb. Rotterdam 20 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4441
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster tekort is geschoten in het naleven van artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EG) 178/2002. Dit levert evenzovele overtredingen op van artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen. Juist omdat de NVWA verzoekster meermaals heeft moeten bewegen tot actie en verzoekster daarin in telkenmale tekort is geschoten, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder met toepassing van de artikelen 32a en 32b van de Warenwet in verbinding met artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en de daarbij behorende bijlage een of meer omzetgerelateerde boetes heeft kunnen opleggen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is ofwel sprake van opzet ofwel sprake van grove schuld, want hoewel verzoekster vanaf 23 november 2018 had moeten weten dat recalls en waarschuwingen noodzakelijk waren, is zij ondanks aandringen en een last nalatig gebleven om een verdergaande recall uit te voeren en heeft zij haar afnemers niet afdoende geïnformeerd, heeft zij een publiekswaarschuwing achterwege gelaten, heeft zij anderen bewogen niet mee te werken met de toezichthouder en heeft zij zelf ook die medewerking niet verleend. De stelling van verzoekster dat haar geen ernstig verwijt valt te maken, omdat zij een andere visie dan verweerder heeft op de noodzaak vlees dat volgens haar niet “ready to eat” is terug te halen, kan hier niet aan afdoen.
De uitspraak op rechtspraak.nl