Rb. Rotterdam 7 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:34
Eiseres heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor de bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en het griffierecht, die zij moet betalen in verband met de beroepsprocedure tegen de IND. Deze procedure betreft een nareisprocedure voor de minderjarige zoon. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar zoon wettelijk vertegenwoordigt, dat de toevoeging op haar naam gesteld is, dat zij zelf procespartij is bij de beroepsprocedure tegen de IND en dat haar zoon deze procedure als minderjarige zelf niet kan voeren. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd geen noodzakelijke kosten van bestaan van eiseres zijn. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 35 van de Pw.
De uitspraak op rechtspraak.nl