Rb. Rotterdam 27 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2482
Terrorisme financiering. De verdachte heeft geldbedragen overgemaakt ten behoeve van zijn twee broers, die aanhangers waren van IS en zich in IS-gebied in Syrië bevonden. Voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft de kans aanvaard dat het geld direct dan wel indirect ten gunste van IS zou kunnen komen en dat hij daarmee aldus geldelijke steun verleende aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. De rechtbank komt echter tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Aannemelijk is dat de verdachte dit deed met het doel om zijn broers te laten vluchten uit IS-gebied en dus niet uit ideologische motieven. En verder dat de geldbedragen daadwerkelijk zijn aangewend voor de vlucht(pogingen), terwijl het slechts enkele betalingen van relatief geringe bedragen betreft. Veroordeling voor terrorismefinanciering en wapenbezit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 14a Sr
- Artikel 14b Sr
- Artikel 14c Sr
- Artikel 22c Sr
- Artikel 22d Sr
- Artikel 55 Sr
- Artikel 57 Sr
- Artikel 63 Sr
- Artikel 83 Sr
- Artikel 140a Sr
- Artikel 157 Sr
- Artikel 421 Sr
- Artikel 1 WED
- Artikel 2 WED
- Artikel 6 WED
- Artikel 2 Sanctiewet 1977
- Artikel 3 Sanctiewet 1977
- Artikel 26 WWM
- Artikel 55 WWM
- Artikel 2 Sanctieregeling terrorisme 2007-II