Rb. Rotterdam 13 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1835

Aanvragen om vergunningen voor woningvorming afgewezen op grond van de Huisvestingswet 2014 en de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2017, zoals deze gold van 26 april 2017 tot 3 januari 2018. Nu verweerder bij de vaststelling van de huisvestingsverordening niet heeft onderbouwd en aangetoond dat in de gemeente Rotterdam sprake is van schaarste aan goedkope woonruimte, was verweerder gelet op artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 niet bevoegd om een huisvestingsverordening vast te stellen, met uitzondering van de bevoegdheden met betrekking tot urgentieverlening. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2017, zoals deze gold van 26 april 2017 tot 3 januari 2018, onverbindend is wegens strijd met artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 en bij de toetsing van de bestreden besluiten buiten toepassing dient te blijven. Gelet op het onverbindend verklaren van de huisvestingsverordening heeft de gemeenteraad ten onrechte op grond van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014 woonruimten aangewezen, zodat verweerder eiseres geen vergunningplicht voor woningvorming kan tegenwerpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken