Rb. Rotterdam 19 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1185
De in bezwaar gehandhaafde intrekking van de vergunning voor advisering en/of bemiddeling heeft AFM gebaseerd op artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder m, van de Wft. Op grond van die bepaling kan AFM de vergunning intrekken indien de vergunninghouder niet voldoet aan de verplichting tot betaling van een heffing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht. De rechtbank is van oordeel dat AFM bij de herbeoordeling van het primaire besluit geen acht heeft hoeven slaan op de betalingen die eiser heeft gedaan nadat het primaire besluit was genomen. Het uitgangspunt van een volledige herbeoordeling strekt niet zover dat bij handhavingsbesluiten zoals hier aan de orde het opheffen van de tekortkoming hangende bezwaar afdoet aan de grondslag daarvan en moet leiden tot een herroeping daarvan.
De uitspraak op rechtspraak.nl