Rb. Rotterdam 31 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3007
De AFM heeft aan verzoeker een bestuurlijke boete van € 125.000,- opgelegd wegens feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel 4:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht door de onderneming. De voorzieningenrechter volgt de AFM in haar standpunt dat de onderneming een aanzienlijke hoeveelheid ernstige wetsovertredingen heeft begaan en daarmee stelselmatig de Wft heeft overtreden. De AFM heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker gelet op zijn mate van betrokkenheid en de omstandigheid dat de onderneming een kleine onderneming is, moest worden aangemerkt als dagelijks beleidsbepaler van de onderneming. Verzoeker had – gelet op zijn rol in de aandeelhoudersstructuur, zijn externe vertegenwoordiging en de interne verhoudingen binnen het management – een sterke invloed op het beleid en bepaalde mede de koers en de langetermijnstrategie van de onderneming. Hij was op de hoogte van het feit dat de onderneming in genoemde periode geen adequaat beleid voerde dat een integere uitoefening van haar bedrijf waarborgde althans bewust de aanmerkelijke kans hierop aanvaarde. Het lag binnen zijn bevoegdheid en macht om de overtreding van artikel 4:11, eerste lid, Wft door de onderneming te voorkomen dan wel te beëindigen en was daartoe redelijkerwijs gehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de vermelde criteria is voldaan en dat verzoeker derhalve als feitelijk leidinggevende aan de overtreding kan worden aangemerkt. De AFM heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van één van de in artikel 1:98 van de Wft genoemde omstandigheden die aan volledige openbaarmaking in de weg staan. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl