Rb. Rotterdam 20 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2935
Herindicatie voor Begeleiding Individueel op grond van de Wmo 2015. Eisers beroepsgrond dat hij in bezwaar door verweerder ten onrechte niet is gehoord slaagt. Reeds hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het geschil beperkt zich verder tot de hoogte van het door verweerder aan eiser toegekende pgb voor de geleverde Individuele begeleiding, Specialistisch professioneel. De Drechtraad heeft met artikel 4.1, derde lid, van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden 2015 (de Verordening 2015) geen juiste uitvoering gegeven aan de hem in het kader van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 toegekende verordenende bevoegdheid. De Verordening 2015 bevat onvoldoende criteria om de hoogte van een pgb vast te stellen en heeft de nadere invulling hiervan ten onrechte overgelaten aan verweerder. In zoverre ontbreekt voor verweerder een grondslag in de Verordening 2015 om de hoogte van een pgb vast te kunnen stellen. Nu artikel 4.1, derde lid, van de Verordening 2015 en de door verweerder krachtens dit artikel vastgestelde Beleidsregels 2015 en het Besluit 2015 aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 en vertoont het ook in zoverre een gebrek. Hoewel het bestreden besluit, reeds gelet op het voorgaande, in aanmerking komt voor vernietiging, ziet de rechtbank aanleiding om op het navolgende te wijzen. Indien de Drechtraad een juiste uitvoering had gegeven aan de hem in het kader van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 toegekende verordenende bevoegdheid - door wat nu door verweerder in de Beleidsregels 2015 en het Besluit 2015 is neergelegd zelf vast te stellen in zijn verordening - zou eveneens sprake zijn van een gebrek voor wat betreft de hoogte van het toegekende pgb voor de geleverde Individuele begeleiding, Specialistisch professioneel. Nu niet in geschil is dat eiser zes uur per week aan zorg nodig had, en niet 5,45 uur, en tevens door verweerder niet is betwist dat het door eiser betaalde uurtarief van € 63,- een marktconform uurloon is, is onvoldoende gemotiveerd dat het aan eiser toegekende pgb een passende bijdrage levert aan eisers zelfredzaamheid en/of participatie, als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Daarbij wijst de rechtbank evenwel op de maximeringsbepaling van artikel 2.3.6, vijfde lid en onder a, van de Wmo 2015. Die bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat eiser met het hem toegekende pgb niet in staat is een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Verweerder mag de hoogte van het pgb maximeren tot de prijs waarvoor hij dezelfde zorg bij de zorgverlener kan inkopen als zorg in natura, maar eiser moet wel in staat zijn met het pgb de daadwerkelijk benodigde zorg in te kopen. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op eisers bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl