Rb. Rotterdam 29 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9945
Eiser voert aan dat verweerder de gedragingen ten onrechte kwalificeert als plichtsverzuim. Hij verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in de beroepsgronden niet concreet heeft aangegeven in welke opzichten het schort aan de weerlegging van de bezwaren van eiser door verweerder in het bestreden besluit. Het beroepschrift behelst in zoverre geen gronden waarover de rechtbank zich een oordeel zou moeten vormen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het bepalen van de strafmaat geen rekening heeft mogen houden met de eerder aan eiser opgelegde disciplinaire maatregelen. Eiser heeft ondanks de eerdere disciplinaire maatregelen zijn gedrag niet verbeterd. Nu eiser zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim is er sprake van doorgaand gedrag en heeft hij het in hem gestelde vertrouwen zeer beschaamd. Daarbij komt dat aan een medewerker met een BOA-bevoegdheid hoge eisen van integriteit mogen worden gesteld en dat verweerder erop moet kunnen vertrouwen dat deze beambten te allen tijde betrouwbaar en integer te werk gaan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser door zijn handelen ernstig afbreuk heeft gedaan aan de aan hem te stellen eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedragingen, mede tegen de achtergrond van de daaraan voorafgegane waarschuwingen en bestraffingen, zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.