Rb. Rotterdam 14 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8664

Uit chatgesprekken en uit de verklaring van een medeverdachte blijkt dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de grootschalige DDos-aanval die in 2013 werd uitgevoerd op de servers van Spamhaus. Hij heeft opdrachten gegeven en noodzakelijke informatie (zoals IP-adressen) verstrekt aan degenen die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerden. Hij heeft – ook in contacten met derden – veelal in de wij-vorm gesproken en laten blijken dat de aanvallen werden uitgevoerd door een groep waarvan hij deel uitmaakte en waarin hij zeggenschap had over wat er gebeurde. Een medeverdachte die die de aanvallen daadwerkelijk uitvoerde, zag de verdachte zelfs als één van de leiders van de groep. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een (intellectuele) bijdrage aan de verwezenlijking van de DDos-aanvallen heeft geleverd. De verdachte moet dan ook worden aangemerkt als medepleger. Dat hij niet op ieder moment de volledige controle had over wat er gebeurde, maakt dit, gelet op de inhoud van de chatgesprekken, niet anders. De rechtbank vindt ook bewezen dat de verdachte betrokken was bij een “IP-hijack”, die er toe leidde dat e-mailberichten ten onrechte als spam werden aangemerkt. De officier van justitie heeft verzuimd in de tenlastelegging van dit feit één van de bestanddelen, vermeld onder sub 1ᵒ tot en met 4ᵒ van artikel 161 sexies, eerste lid (oud) WvSr op te nemen. Deze bestanddelen zijn van belang voor de strafbedreiging en onmisbaar voor de kwalificatie. Het feit, zoals het nu ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, kan dan ook niet als strafbaar feit worden gekwalificeerd. In zoverre ontslag van alle rechtsvervolging. Vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie. Vanwege het tijdsverloop wordt naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest, alleen nog een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen