Rb. Rotterdam 8 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6073

Toepassing kostendelersnorm bij niet-rechthebbende partner. Tegen het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel en het besluit tot de ongewenst verklaring van de partner staan geen rechtsmiddelen meer open, zodat geen sprake (meer) is van gelijkstelling met een Nederlander, ondanks de door de president van het EHRM getroffen interim measure waarmee de Nederlandse Staat is verboden de partner uit te zetten. Het conflicteren van de artikelen 24 en 22a, derde lid, aanhef en onder a, van de Pw, zoals deze golden ten tijde van het bestreden besluit, is een omissie van de wetgever geweest maar de bedoeling van de wetgever is duidelijk, namelijk dat de in 2015 ingevoerde kostendelersnorm ook van toepassing is in het geval van een niet-rechthebbende echtgenoot. Gelet hierop en gezien het algemene uitgangspunt dat bij conflicterende wetgeving in beginsel de meest recente wetsbepaling voorgaat omdat deze geacht wordt de (actuele) bedoeling van de wetgever het beste te weerspiegelen, heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan artikel 22a, derde lid, aanhef en onder a, van de Pw toepassing en niet aan artikel 24 van de Pw. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het beroep van eiseres op internationale verdragen. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand omdat artikel 13 en 34 van het Europees Sociaal Handvest niet kunnen worden aangemerkt als in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen, namelijk artikelen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden. Daarnaast geeft hetgeen is aangevoerd geen grond voor het voor het oordeel dat het bestreden besluit een inmenging vormt in het recht van eiseres op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken