Rb. Rotterdam 20 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:460

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het buitengewoon rechtsmiddel van herziening in de zin van artikel 8:119 van de Awb niet openstaat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, tenzij het een einduitspraak in de zin van artikel 8:86 van de Awb betreft. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat zich geen toepassingsgrond voordoet voor een – buitenwettelijke – vervallenverklaring of rectificatie van de eerdere uitspraak wegens een feitelijke onjuistheid of een kennelijke verschrijving. Evenmin kan toepassing worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb, omdat geen voorlopige voorziening is getroffen nu het eerdere verzoek om voorlopige voorziening juist is afgewezen. Dit laat onverlet dat verzoekster na die afwijzing een nieuw verzoek op grond van artikel 8:81 van de Awb kan indienen. De brief van 22 december 2015 van verzoekster wordt dat ook als een nieuw verzoek om voorlopige voorziening aangemerkt. De griffier heeft terecht griffierecht geheven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken