Rb. Rotterdam 2 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1676

Aanbesteding. Gedaagde (een speciale-sector bedrijf) schrijft in 2013 een aanbesteding uit voor herstelwerkzaamheden in een windmolenpark door middel van een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging wegens dwingende spoed. Gedaagde doet een aanbieding, maar de opdracht wordt niet aan haar gegund. Eind 2013 beëindigt gedaagde de overeenkomst met de partij aan wie zij de opdracht had gegund wegens wanprestatie. Eiser doet begin 2014 opnieuw een aanbieding om het werk af te maken/te herstellen. De opdracht wordt aan een andere partij gegund. In deze procedure maakt eiser in conventie bezwaar tegen de aanbesteding in 2013. Deze bezwaren zijn te laat. Het beroep op rechtsverwerking slaagt. Ten aanzien van de aanbesteding wordt overwogen dat gedaagde ook in 2014 over mocht gaan tot een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging op grond van dwingende spoed. Gedaagde beroept zich voorts op rechtsverwerking. Gedaagde wordt opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat eiser in februari 2014 wist, althans redelijkerwijs moet hebben geweten, dat de in het geding zijnde opdracht in volle omvang was gegund aan een derde. Eiser komt voorts geen beroep op artikel 3:35 lid 2 BW toe. De regeling van artikel 3:53 lid 2 BW strekt niet zo ver dat deze als alternatief voor schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW heeft te gelden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen