Rb. Rotterdam 21 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9508

Verdachte heeft een viertal mannen aangestuurd als zijn medewerkers binnen zijn activiteiten op het vlak van het zogenoemde Hawala-bankieren. De rechtbank overweegt dat verdachte als functioneel dader wordt gezien wat betreft de hem ten laste gelegde feiten (gewoontewitwassen, alsmede opzettelijke overtredingen van de Wet op het financieel toezicht en van de Wet inzake de geldtransactiekantoren). De rechtbank verwerpt het terzake het gewoontewitwassen gevoerde verweer dat de verdachte niet wist en evenmin had moeten vermoeden dat de medeverdachten zich met crimineel gedrag bezig hielden en dat het geld de uit dat crimineel gedrag afkomstige opbrengst was. Terzake voormelde overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren geldt dat dit feit gedurende een deel van de bewezen verklaarde periode niet meer strafbaar was. Verdachte wordt derhalve partieel ontslagen van rechtsvervolging. De redelijke termijn van berechting is met 11 maanden overschreden. In plaats van een gevangenisstraf van 36 maanden legt de rechtbank daarom aan verdachte een gevangenisstraf van 34 maanden op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen