Rb. Rotterdam 8 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7190

Samenvatting: Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat de garantstelling moet worden aangemerkt als verplicht integraal onderdeel van het krediet dat door [X] werd aangeboden. Een garantstelling was noodzakelijk voor het verkrijgen van een krediet, zodat de daarvoor in rekening gebrachte kosten betrokken dienen te worden bij het beantwoorden van de vraag of ter zake van dat krediet al dan niet onbetekenende kosten aan de consument in rekening werden gebracht. Zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:298), is niet van doorslaggevende betekenis door wie die kosten in rekening worden gebracht en of de entiteit die deze kosten in rekening brengt in enige relatie staat tot de aanbieder van het krediet dan wel de opbrengst daarvan aan die aanbieder doet toekomen. Bepalend is het kredietaanbod met de daaraan verbonden voorwaarden en verplichtingen voor de consument. De AFM heeft terecht geconstateerd dat de bedragen die bij de consumenten in rekening werden gebracht voor de garantstelling van [Y] ver boven de maximum kredietvergoeding liggen. Dit betekent dat de kosten van het door [X] aangeboden krediet zowel in absolute als in relatieve zin niet als onbetekenend zijn aan te merken. Anders dan [X] betoogt, laat het feit dat ook voor een krediet met een persoonlijke garantstelling kon worden gekozen onverlet dat [X] een krediet heeft aangeboden waarbij meer dan onbetekenende kosten in rekening zijn gebracht. Wat het verdienmodel van [X] was, is voor dit oordeel niet van belang, zodat de rechtbank aan de discussie hierover tussen partijen voorbij gaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken