Rb. Rotterdam 25 maart 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2669

Hoofdzaak betreft vordering van persoon van wie de goederen onder bewind zijn gesteld. Incidentele vordering van gedaagde in de hoofdzaak ex art. 245 Rv tegen de advocaat van deze eiser. Gevorderd wordt in dit incident dat de rechtbank eiser in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaart in zijn vordering en zijn advocaat veroordeelt in de kosten van het geding. In beginsel bestaat aanleiding om eiser in de hoofdzaak in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het is de bewindvoerder die de onder bewind geplaatste in rechte vertegenwoordigt en dat heeft tot gevolg dat de bewindvoerder als formele procespartij dient op te treden. De onder bewind geplaatste is daartoe zelf niet bevoegd. In het onderhavige geval heeft de bewindvoerder evenwel toestemming verleend tot het voeren van de procedure. Uit de door genoemde advocaat overgelegde e-mail kan echter niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de bewindvoerder het geding daadwerkelijk wenst over te nemen als formele procespartij. Rolverwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen