Rb. Rotterdam 31 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6458
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht tot het oordeel is gekomen dat de situatie in het ziekenhuis ter zake van de afdeling cardiologie zodanig acuut en ernstig was dat het nemen van maatregelen op basis van een plan van aanpak niet kon worden afgewacht, zodat de inspecteur bevoegd was tot het geven van een bevel als bedoeld in artikel 8 van de Kwaliteitswet zorginstellingen. Hoewel het bevel voor de cardiologen grote consequenties had, heeft de rechtbak geoordeeld dat de inspecteur in de gegeven omstandigheden het patiëntbelang zwaaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van de cardiologen. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de werking van het bevel was beperkt tot een duur van zeven dagen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister heeft kunnen besluiten het bevel van de inspecteur te verlengen. Omdat de minister over de duur van de verlenging en de mogelijkheid van in de toekomst te verlenen zorg door de cardiolgen geen overwegingen heeft gewijd kan het besluit van de minister niet in stand blijven. De minister wordt opgedragen hierover een niew besluitte nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl