Rb. Rotterdam 10 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6106
Wegens herhaaldelijk overtreden van de hygiënevoorschriften heeft de minister eiser bij drie besluiten bestuurlijke boetes opgelegd tot een bedrag van € 3.150 (in totaal € 9.450). De rechtbank stelt voorop dat in analogie op artikel 344 lid 2 Sv beboetbare feiten – behoudens tegenbewijs – kunnen worden aangenomen op basis van op een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van een bijzondere opsporingsambtenaar (vgl. ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671 en CBb 13 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1577). De rechtbank stelt vast dat de door eiser overgelegde verklaring van een voormalig milieu-inspecteur niets inhoudt over het al dan niet naleven van de hygiënevoorschriften in de inspectielocatie, maar ingaat op de wijze waarop eiser is bejegend door controleambtenaren van NVWA en politieambtenaren. Eiser betoogt tevergeefs dat het disproportionele optreden van controleambtenaren van NVWA en politieambtenaren en het door laatstgenoemden gebruikte geweld jegens eiser zodanig willekeurig zijn, dat daarmee de bevoegdheid tot het opleggen van een of meer boetes is komen te vervallen. Uit artikel 3 lid 3 Warenwetbesluit bestuurlijke boeten blijkt tekstueel niet of voor het einde van de daarin genoemde termijn van twee jaar aansluiting moet worden gezocht bij de constatering van een nieuwe overtreding of het daarop volgende primaire boetebesluit. Een redelijke uitleg en toepassing brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat aansluiting wordt gezocht bij de constatering van de herhaalde overtreding, dat wil zeggen de inspectiedatum van in dit geval 14 juni 2012 (zie ook CBb 29 juni 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ3839). De strekking van een recidivebepaling als deze is dat de betrokken ondernemer tussen het onherroepelijk worden van een eerdere boete en een volgende inspectie zijn zaak op orde kan brengen door de geldende hygiënevoorschriften na te leven. Blijkbaar hebben de boetes en waarschuwingen er niet toe geleid dat eiser de hygiënevoorschriften is gaan naleven. Een verdergaande mate van afschrikking acht de rechtbank dan ook geboden. Gelet hierop acht de rechtbank de verdubbeling van de vaste boetebedragen wegens recidive – welke niet gefixeerde verhoging moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 5:46 lid 2 Awb – passend en geboden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de afzonderlijke boetes ruimschoots blijven onder het wettelijke boetemaximum van € 4.500 per overtreding en dat, gelet op de overwaarde van de eigen woning, geen sprake is van financiële hardheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl