Rb. Rotterdam 30 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3451
De rechtbank is van oordeel dat doel en strekking van artikel 19, derde lid, van verordening (EG) 178/2002 is dat de autoriteiten vroegtijdig worden gewaarschuwd over potentiële (mogelijk ontstaande) risico’s. Dit brengt met zich dat de schadelijkheid van het in de handel gebrachte levensmiddel niet hoeft te zijn aangetoond, voordat de meldingsplicht in werking treedt, zo volgt ook uit het woord “kan” aan het einde van de eerste zin van voornoemd artikellid. Voorts zou het doel van de bepaling, effectieve risicobeheersing door de bevoegde autoriteit, teniet worden gedaan indien eerst een meldingsplicht ontstaat nadat de schadelijkheid van het in de handel gebrachte levensmiddel is aangetoond. De meldingsplicht ontstaat derhalve zodra er redenen zijn om aan te nemen dat een in de handel gebracht levensmiddel een potentieel risico vormt.
De uitspraak op rechtspraak.nl