Rb. Rotterdam 16 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA2608
Vast staat dat verweerder eisers functioneren ten tijde van de toekenning van de bovenschaalse periodiek noch nadien als uitstekend heeft gekwalificeerd. Zowel met de toekenning van deze periodiek als met het structurele karakter daarvan is verweerder dus buiten de hem in artikel 8, eerste lid, van het BBRA toegekende bevoegdheid tot salarisverhoging getreden. Dat hieraan een welbewust handelen van verweerder ten grondslag heeft gelegen en niet slechts sprake is van een fout, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2003 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB); LJN AN8625) komt aan een bestuursorgaan, anders dan eiser kennelijk meent, de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder dat van de rechtszekerheid. Afhankelijk van de omstandigheden dient ter vermijding van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in de herstelbeslissing in de meeste gevallen een afbouw- of gewenningsperiode te worden gegund. In het onderhavige geval heeft eiser voorafgaand aan het intrekkingsbesluit van 20 januari 2011 gedurende ongeveer zes jaar één extra periodiek aan salaris ontvangen. Dit hogere salaris heeft eiser in het kader van de getroffen afbouwregeling nadien nog bijna twee jaar behouden. Voor het oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel een verdergaande afbouwregeling vergt of in de weg staat aan herstel van de gemaakte fout, ziet de rechtbank, mede gelet op voormelde jurisprudentie van de CRvB, geen grond. Daarbij merkt de rechtbank op dat gesteld noch gebleken is dat eiser door de intrekking van de bovenschaalse periodiek in financiële moeilijkheden is gekomen omdat hij op basis van het hogere salaris verplichtingen zou zijn aangegaan. Nu evenmin is gebleken van strijd met enig ander algemeen rechtsbeginsel of enige rechtsregel bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. De door eiser overgelegde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2012 (AWB 11/2139) leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu in die zaak, anders dan in het onderhavige zaak, geen afbouwregeling was getroffen.
De uitspraak op rechtspraak.nl