Rb. Rotterdam 28 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6615

In zijn uitspraak van 21 maart 2013 (LJN BZ1864) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld dat AFM de bevoegdheid toekwam verzoeker een bestuurlijke boete op te leggen, dat de boete evenredig is, dat AFM terecht to vroegtijdige publicatie in de zin van artikel 1:97 Wft is overgegaan en dat AFM eerst na het onherroepelijk worden van de boete een primair besluit kan nemen tot publicatie op de voet van artikel 1:98 Wft. AFM heeft thans een dergelijk besluit genomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat hetgeen verzoeker thans aanvoert tegen het bestreden besluit in essentie gelijk is aan de door hem aangevoerde gronden tegen de beslissing tot openbaarmaking op de voet van artikel 1:97 Wft en dat het College in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak al deze gronden heeft verworpen. De voorzieningenrechter voegt hier aan toe dat een eventuele richtlijnconforme toepassing van artikel 14 lid 4 Richtlijn 2003/6/EG inzake marktmisbruik of artikel 51 Richtlijn 2004/39/EG (MiFID) geen rol speelt, omdat verzoeker niet is beboet vanwege marktmisbruik of het niet naleven van regels ten aanzien van beleggingsondernemingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen