Rb. Rotterdam 7 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5427
Nu eiser eigenaar en gebruiker is van de onroerende zaak, is aanslag terecht aan eiser opgelegd ogv artikel 220 van de Gemeentewet, artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet en de geldende ‘Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie’. Niet is in geschil dat voor de waardebepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden uitgegaan. De berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde is: vervangingswaarde grond + (vervangingswaarde opstal -/- technische veroudering -/- functionele veroudering) = gecorrigeerde vervangingswaarde. De rechtbank heeft de StAB verzocht haar te adviseren over de belangrijkste punten van geschil tussen partijen, te weten: de grondwaarde van het waterbekken en de aftrek wegens functionele en technische veroudering. De StAB heeft advies uitgebracht bij rapport van 16 april 2012. De reacties van partijen en de opmerkingen daarover door de StAB zijn door de rechtbank, als deel uitmakend van het advies, in de oordeelsvorming betrokken. Zowel eiser als verweerder heeft op het definitieve rapport van de StAB gereageerd. Op basis van de uitgangspunten zoals die uit het definitieve rapport van de StAB volgen, heeft eiser een nadere taxatie van de waarde gemaakt van € 32.466.000,- op waardepeildatum 1 januari 2007. Ook die reacties zijn door de rechtbank in de oordeelsvorming betrokken. (…) Nu de rechtbank partijen niet kan volgen in de door hen bepleite waarden, zal de rechtbank ter beslechting van de geschillen de waarde van de onroerende zaak, zoveel mogelijk aan de hand van de door partijen en de StAB aangedragen feiten, bewijsmiddelen en argumenten, en met inachtneming van de uitgangspunten zoals hierboven geformuleerd, in goede justitie, vaststellen op € 54.000.000,-.
De uitspraak op rechtspraak.nl