Rb. Rotterdam 14 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2463
NVWA heeft met de besluiten 1 en 2 de partijen vlees geweigerd voor invoer in de EU omdat de partijen positief zijn bevonden op STEC. Gelet op het beperkte spoedeisend belang van verzoeksters verricht de voorzieningenrechter een terughoudende toetsing. Het betoog van verzoeksters dat niet vaststaat of monsters van de partijen vlees positief zijn getest op E. coli mist feitelijke grondslag. Verzoeksters betogen voorts tevergeefs dat geen wettelijke basis bestaat voor het weigeren van de partijen vlees in de EU vanwege de aanwezigheid van E. coli in de waren, omdat blijkens de onderdelen 2.1.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 een beperkte hoeveelheid E. coli in gehakt vlees wordt toegestaan. De veterinaire certificaten uit Argentinië, waarop is aangegeven of sprake is van gehakt vlees of (vers) vlees, bevatten telkens de doorstreping van onder meer de woorden gehakt vlees, hetgeen minst genomen een indicatie oplevert dat geen sprake is van gehakt vlees. Voorts is ter zitting van de zijde van NVWA onweersproken betoogd dat het gaat om ossenhazen, lenden zonder rib en vlees van de bil, die niet in kleine stukken zijn gehakt, zoals ook lijkt te volgen uit de door NVWA overgelegde foto. De voorzieningenrechter neemt derhalve vooralsnog aan dat de partijen zien op vers vlees, zodat de onderdelen 2.1.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 reeds daarom toepassing missen. Verzoekers betogen eveneens tevergeefs dat NVWA niet in redelijkheid de meest vergaande variant van het advies van de directeur Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering heeft kunnen toepassen. Verwijzing naar Vzr. Rb Rotterdam 24 oktober 2012 (LJN BY1516).
De uitspraak op rechtspraak.nl