Rb. Rotterdam 14 november 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:9427
De rechtbank stelt vast dat eiser naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011 een deel van de second opinion heeft gekregen en dat hij met onderhavige procedure in feite via een omweg probeert het resterende deel te verkrijgen. Openbaarmaking op grond van de Wob zou tot een doorkruising van de in de Wjz neergelegde regeling tot inzage in, dan wel de verstrekking van afschrift van de bescheiden met betrekking tot de kinderen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank zou het lijnrecht tegen de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011 - zoals samengevat in 1.3. - ingaan, indien de gevraagd gegevens alsnog aan eiser zouden worden verstrekt, nu immers de Afdeling in die uitspraak reeds heeft geoordeeld dat de desbetreffende passages mochten worden geanonimiseerd. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat artikel 51 van de Wjz dwingend geformuleerd is en de tekst ervan geen aanknopingspunten biedt voor de juistheid van de opvatting dat dit geen uitputtende regeling zou zijn. Voorts - bezien in het licht van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2013 - concludeert de rechtbank dat dit een exclusieve regeling betreft, die hier derhalve derogeert aan de Wob. Anders gezegd: de belangen van de jeugdigen prevaleren boven het door eiser gestelde belang van eiser tot inzage in de bedoelde verslagen van gesprekken en gevoerde overleggen. Niet in discussie is dat er geen sprake is van toestemming als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Wjz, zodat deze bepaling in de weg staat aan verstrekking van inlichtingen aan eiser. Dit betekent overigens ook dat eiser door de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011 in feite reeds meer informatie heeft gekregen dan waar hij op grond van de Wjz recht op had. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder verdere openbaarmaking terecht geweigerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl