Rb. Rotterdam 8 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:6325
Eiser heeft zich - ter onderbouwing van zijn stelling dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, door de resultaten van de analyse door het Rikilt pas een jaar na monstername aan eiser bekend te maken - ter zitting beroepen op de uitspraak van deze rechtbank van 12 augustus 2012 (bedoeld is: 2010, LJN: BN3937). Deze uitspraak is evenwel bij uitspraak van 21 december 2012 (LJN: BZ5180) vernietigd. Het CBb heeft in zijn uitspraak ondermeer geoordeeld dat bedoeld tijdsverloop van drie maanden in dit geval niet tot de conclusie leidt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat het samenstel van de relevante feiten en omstandigheden van dit geval dermate anders dan in de zaak die bij het CBb voorlag, dat de rechtbank - ondanks voormelde uitspraak van het CBb - toch tot de conclusie komt dat het boetebesluit onzorgvuldig is voorbereid. Reeds hierom is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Nu onvoldoende is komen vast te staan dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 20 van de Wgb is van een overtreding als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Awb dan ook geen sprake. Verweerder had derhalve niet de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 90 van de Wgb, om de boete aan eiser op te leggen. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Zij ziet wel aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van eiser gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl