Rb. Rotterdam 18 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5353
Naar het oordeel van de rechtbank kan de vraagouder niet worden tegengeworpen dat de overeenkomst met het gastouderbureau niet voldoet aan artikel 11 van de Regeling. Artikel 11 van de Regeling ziet op de administratie van een kindercentrum of gastouderbureau en richt zich niet tot de gastouder. Voorts is artikel 11 van de Regeling, mede gelet op de aanhef van de Regeling, een uitwerking van artikel 53 van de Wko inzake de administratie bij kindercentra. In de aanhef is expliciet naar een aantal artikelen uit de Wko verwezen, waaronder wel artikel 53 maar niet artikel 52. Weliswaar is artikel 53 van de Wko op grond van artikel 56, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de houder van een gastouderbureau, maar hieruit volgt slechts dat artikel 53 niet alleen gelding heeft voor kindercentra maar ook voor gastouderbureaus. Hieruit volgt niet dat de vraagouder een overeenkomst dient te overleggen die de in artikel 11 van de Regeling opgesomde elementen bevat. De rechtbank acht de uitleg die verweerder aan voornoemde bepalingen geeft derhalve niet juist om redenen van wetsystematische aard. Deze uitleg, waarin eiser thans wordt tegengeworpen dat de overeenkomst met het gastouderbureau niet aan een aantal vereisten zou voldoen, is bovendien niet redelijk omdat niet blijkt dat zijdens verweerder ten behoeve van de aanvraag destijds tijdig, vooraf, informatie is verstrekt over vereisten waaraan de overeenkomst volgens verweerder zou moeten voldoen. Niet valt in te zien dat het zou stroken met de bedoeling van de wetgever om de aanvrager in deze situatie achteraf met de hiervoor bedoelde vereisten te confronteren. De rechtbank acht het niet proportioneel en niet redelijk om de toeslag ten aanzien van de gastouderopvang via Bebegim volledig te herzien naar nihil indien de vraagouder weliswaar niet heeft aangetoond alle kosten van de kinderopvang te hebben betaald, maar wel tenminste het bedrag van de ontvangen toeslag is aangewend voor bestrijding van deze kosten. De rechtbank acht hiertoe van belang dat is gesteld noch gebleken dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld. Voorts is niet concreet gebleken dat eiser de noodzaak van het betalen van een zogenoemde eigen bijdrage (een bijdrage aan de totale kosten die niet uit de toeslag maar uit eigen middelen is voldaan) en de noodzaak van het kunnen aantonen van de kosten voldoende duidelijk is gemaakt door verweerder of dat dit eiser anderszins duidelijk is geweest. Daar komt bij dat verweerder eerst geruime tijd na de eerste toekenning van het voorschot tot correctie daarvan is overgegaan omdat niet aan de voorwaarden zou zijn voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2015
- ABRvS 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9185
- ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5097
- ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4369
- Rb. Almelo 21 november 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY3996
- ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1842
- ABRvS 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3219