Rb. Rotterdam 19 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10239
Bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 5:58, eerste lid, onder a en b, van de Wft. Anders dan in haar uitspraak van 20 december 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BC0861, is de rechtbank thans van oordeel dat, in weerwil van het gebruik van het woord “teneinde” in artikel 5:58, eerste lid, onder b, van de Wft niet is beoogd tot uitdrukking te brengen dat er een oogmerk op het beïnvloeden van de koers moet worden aangetoond. Het gaat erom dat er een causaal verband is tussen het handelsgedrag en het kunstmatige koersniveau, dat wil zeggen dat het handelen objectief gezien moet hebben geleid tot het houden of brengen van de koers van het aandeel op een kunstmatig niveau. Dat laat onverlet dat de beweegreden voor het handelsgedrag gerechtvaardigd kan zijn, waardoor er geen sprake is van een overtreding van het verbod tot marktmanipulatie, of dat verminderde verwijtbaarheid leidt tot een lagere boete. De rechtbank oordeelt dat evenbedoeld causaal verband aanwezig is en dat een rechtvaardigingsgrond zich niet voordoet. Geen gebruikelijke handelspraktijk en geen strijd met het zogenoemde lex-certa beginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 25 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:4
- CBb 11 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ1864
- CBb 11 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ1865
- CBb 22 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV6713
- Hof van Justitie van de Europese Unie 7 juli 2011, ECLI:NL:XX:2011:BR1830
- Rb. Rotterdam 20 december 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BC0861