Rb. Rotterdam 2 april 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW1023
Eiser heeft geweigerd een arbeidsovereenkomst te tekenen dat hem in het kader van het traject Tarwewijk was aangeboden. Dit traject bestaat uit vier fases; diagnose, oriëntatie, stromen en nazorg. Na de aanmelding gaat de betrokkene de diagnose fase in. Vervolgens start de oriëntatiefase van in beginsel vier maanden. Hierna start de stromenfase, waarin de betrokkene op basis van een arbeidsovereenkomst met loonkostensubsidie verder begeleid wordt naar ‘regulier’ werk. Indien er sprake is van een plaatsing in ‘regulier’ werk treedt de nazorgfase in werking. De arbeidsplaats bij Werkteam/Agens is aan eiser aangeboden in aansluiting op de oriëntatiefase en derhalve als begin van de stromenfase. Ter zitting is gebleken dat de arbeid als ‘algemeen medewerker’ feitelijk een voortzetting zou behelzen van de stage die eiser binnen de oriëntatiefase bij Agens volgde. Ook binnen de stromenfase zou eiser trainingen, begeleiding en ondersteuning krijgen, waarbij uitstroom naar ‘regulier’ werk centraal stond. Het betrof een gesubsidieerde arbeidsplaats. Gelet op deze toelichting van verweerder is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsplaats bij Werkteam/Agens onmiskenbaar bedoeld was om eiser te ondersteunen bij zijn arbeidsinschakeling, met als doel het verwerven van reguliere arbeid, waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van een voorziening. Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte heeft verweten de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb opgenomen verplichting niet te zijn nagekomen. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een juiste grondslag en dient dan ook te worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser voldoende maatwerk heeft geleverd en dat de aangeboden voorziening voldoende concreet was. Er is rekening gehouden met gezondheidsaspecten die eiser naar voren heeft gebracht. Aan de hand van de gesprekken die met eiser zijn gevoerd, had het voor hem redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn wat de aangeboden voorziening inhield en wat de gevolgen zouden zijn wanneer hij deze zou weigeren. In de overeenkomst is voorts de duur van de voorziening duidelijk gemaakt. Dat de voorziening uiteindelijk niet meer concreet is ingevuld, is door eisers eigen toedoen, nu hij bij e-mail van 10 mei 2011 elke medewerking aan de voorziening heeft geweigerd. Van schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM is de rechtbank niet gebleken. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat eiser, door zijn weigering de overeenkomst te tekenen, zijn verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl