Rb. Rotterdam 17 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU9029

Naar het oordeel van de rechtbank kan de kennisgeving van AFM dat [D] en [E] zijn aan te merken als medebeleidsbepalers niet als een op rechtsgevolg gericht besluit worden aangemerkt. De schriftelijke visie van een bestuurorgaan op de gevolgen van rechtsregels voor een bepaalde situatie (een bestuurlijk rechtsoordeel) roept geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Een dergelijk bestuurlijk rechtsoordeel is daarom (in de regel) geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is slechts anders indien er sprake is van een voor de betrokken rechtspersoon onevenredig belastende weg naar de rechter na het uitlokken van een besluit tot toepassing van de toepasselijke regeling. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat het voor eiseres onevenredig bezwarend is om een besluit omtrent de benoeming af te wachten teneinde daartegen rechtsmiddelen aan te wenden dan wel een handhavingsbesluit af te wachten. De rechtbank wijst er daarbij op dat [D] en [E] bij melding - welke melding zij onder protest zou kunnen doen - nog niet benoemd mogen worden door eiseres, zij kan pas tot benoeming overgaan na een goedkeurend besluit van AFM. Van een zelfstandig (voor beroep vatbaar) rechtsoordeel kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gesproken. AFM heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen