Rb. Rotterdam 8 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU7522

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van de getuigenverklaringen, in onderlinge samenhang bezien, tot de overtuiging kunnen komen dat eiser [J] in haar borsten heeft geknepen en in haar kruis heeft getast. Dat geen van de collega’s die bij de oefensituatie aanwezig waren exact heeft gezien welke handelingen eiser bij [J] heeft verricht, is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de uitgebreide en consistente verklaringen van [J], die op delen ondersteund worden door de hierboven geciteerde verklaringen van collega’s. Vaststaat derhalve dat eiser [J], terwijl zij geboeid was, in haar borsten heeft geknepen en in haar kruis heeft getast. Niet in geschil is dat dit kan worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Evenmin in geschil is dat deze gedragingen de straf van voorwaardelijk ontslag rechtvaardigen. Het beroep is ongegrond. Blijkens het primaire besluit heeft verweerder puntsgewijs en op gemotiveerde wijze gereageerd op de vermeende onrechtmatige gedragingen van de Politieacademie en vervolgens de conclusie getrokken dat de vordering uit onrechtmatige daad kennelijk onvoldoende grond heeft en kennelijk onredelijk is. Bovendien heeft verweerder in het verweerschrift terecht gesteld dat de vermeende onrechtmatige daad jegens eiser niet is gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2000. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift, onder verwijzing naar een brief van Raad van Hoofdcommissarissen van 11 juli 2005, gesteld dat artikel 69a van het Barp niet ziet op een situatie waarin de ambtenaar zijn werkgever aansprakelijk stelt. De rechtbank acht dit een redelijke uitleg van deze bepaling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen