Rb. Rotterdam 21 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT2414

Bestuurdersaansprakelijkheid en vrijwaringen met diverse geschilpunten, waaronder: (1) de volstorting van aandelen en de omvang van de aansprakelijkheid e artikel 2:180 BW; (2) een vrijwaringsvordering i.v.m. aansprakelijkheid ex artikel 2:180 BW ("De enkele omstandigheid dat aandelen niet zijn volgestort, brengt niet zonder meer een aansprakelijkheid met zich van indirecte aandeelhouders en feitelijk beleidsbepalers jegens toekomstige bestuurders. Wel kan onder omstandigheden op degenen die bij de oprichting zijn betrokken een waar­schuwingsplicht rusten jegens later benoemde bestuurders"); (3) de terugbetaling van een achtergestelde geldlening door de latere failliete BV aan een feitelijk beleidsbepaler is onverplicht, niet onverschuldigd en in casu niet onrechtmatig jegens de crediteuren (voorzienbaarheid van de benadeling als vereiste voor onrechtmatigheid); (4) vordering ex artikel 2:248 BW afgewezen t.a.v. de bestuurder die drie maanden voor het faillissement is aangetreden omdat de vennootschap ook toen al technisch failliet was; (5) vordering ex artikel 2:248 BW afgewezen t.a.v. de gestelde feitelijk beleidsbepaler omdat onvoldoende onderbouwd is dat deze nog feitelijk beleidsbepaler was ten tijde van het kennelijk onbehoorlijk bestuur; (6) het enkele feit dat de niet-volstorting van de aandelen (€ 18.000) onjuist is verwerkt in de boekhouding van de latere failliete BV, is onvoldoende voor toepassing van artikel 2:248 lid 2 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen