Rb. Rotterdam 17 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR5525
Uitoefening van pandrecht en retentierecht door vervoerder na surseance van afzender. Afbakening relevante goederen en toepasselijke regime (art. 23 en 24 AVC). Omvang vordering waarvoor het recht wordt uitgeoefend. Voor vestiging van een pandrecht is een geldige vestigingshandeling vereist. Tot aan de surseancedatum volstond daartoe de afgifte van de goederen ten vervoer door de afzender, die daartoe toen nog bevoegd was. Vanaf de surseancedatum was de afzender slechts met medewerking, machtiging of bijstand van haar bewindvoerders bevoegd een pandrecht te vestigen (art. 228 Fw). Onvoldoende gesteld of gebleken dat aan dat vereiste is voldaan. Het fixatiebeginsel en de aard van de surseance staan in de weg aan beroep op bescherming van de goede trouw ex art. 3:86 BW of 3:238 lid 1 BW. Subsidiair gedane beroep op retentierecht gaat ook slechts op voor goederen afgegeven voor de surseancedatum.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 129 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 35 Fw
- Artikel 60 Fw
- Artikel 228 Fw
- Artikel 8:30 BW8
- Artikel 8:489 BW8
- Artikel 8:1131 BW8
- Artikel 6:44 BW6
- Artikel 6:52 BW6
- Artikel 3:11 BW3
- Artikel 3:35 BW3
- Artikel 3:84 BW3
- Artikel 3:86 BW3
- Artikel 3:90 BW3
- Artikel 3:98 BW3
- Artikel 3:238 BW3
- Artikel 3:248 BW3
- Artikel 3:290 BW3
- Artikel 3:292 BW3
- Artikel 3:392 BW3