Rb. Rotterdam 13 juli 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR1592

Schending zorgplicht bank bij Ponzi-zwendel van <Persoon1>, hierna P1. Toerekenbaarheid. Relativiteitsvereiste. Ontvankelijkheid individuele eisers (Dominee-arrest, HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29). Collectieve actie 3:305a BW. In deze zaken wordt gevorderd te verklaren voor recht (i) dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers en de stichting, (ii) dat dit onrechtmatig handelen de bank kan worden toegerekend (iii) dat de door de bank geschonden norm strekt tot bescherming van schade zoals geleden door beleggers die door <P1>. zijn gedupeerd. Eisers niet-ontvankelijk Eisers hebben geen voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW. Gegeven de inhoud van de vordering en de doelomschrijving van de stichting (zie hiervoor onder 2.9), is onmiskenbaar sprake van gelijksoortige belangen als bedoeld in artikel 3:305a BW. Omvang zorgplicht De maatschappelijke functie van een bank brengt een bijzondere zorgplicht mee jegens derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (HR 23 december 2005, NJ 2006, 289, Safe Haven). Jegens wie geldt deze zorgplicht? Een bank moet rekening houden met de belangen van derden die betrokken zijn bij het handelen van de bank. Dat handelen was in dit geval het ter beschikking stellen en houden van twee betaalrekeningen ten behoeve van <P1>. Derden die gelden op deze rekeningen stortten, maakten gebruik van deze faciliteit van de bank, en met hun belangen behoorde de bank dus rekening te houden. Derden die geen gebruik maakten van die faciliteit en daarbij ook overigens niet (voldoende direct) waren betrokken, handelden in feite geheel los van de bank. Gesteld noch gebleken is voorts dat beleggers wier geld niet via de twee rekeningen van de bank werd ingelegd anderszins direct betrokken waren bij het de bank verweten handelen. Met hun belangen behoefde de bank dus geen rekening te houden. Schending zorgplicht Het verwijt van de stichting aan het adres van de bank berust op de volgende omstandigheden: i. de door <P1>. bij de bank aangehouden rekeningen betroffen normale betaalrekeningen en <P1>. gold als particuliere rekeninghouder; ii. vanaf 2002 (voor de 758-rekening) respectievelijk 2003 (voor de 709-rekening) vond grootschalig betalingsverkeer via deze rekeningen plaats, waarbij zeer veel mutaties plaatsvonden (in 2004 bijvoorbeeld een gemiddelde van ruim 22 per dag op de 758-rekening); iii. de stortingen op de rekeningen betroffen onder meer zeer grote bedragen, tot € 600.000,= per keer – in totaal ontving <P1>. in de hier relevante periode op de rekeningen een bedrag van ruim € 67 miljoen; iv. de bijschrijvingen op de rekeningen gingen onder meer vergezeld van omschrijvingen als “inleg”, “lening”, “schuldbekentenis”, “belegging” en “warrant”; v. <P1>. liet van de onderhavige rekeningen zeer grote bedragen overmaken naar andere rekeningen, in de hier relevante periode tot ongeveer € 77,5 miljoen; vi. deze overschrijvingen geschiedden veelal telefonisch (ten behoeve waarvan <P1>. contact had met een medewerker van de bank) en door middel van handgeschreven formulieren (in verband waarmee veelvuldig contact plaatsvond tussen <P1>. en de bankmedewerkers). De feitelijke kennis van (medewerkers van) de bank van de buitensporige omvang van de betalingen door <P1>. vanaf zijn betaalrekeningen had de bank naar het oordeel van de rechtbank aanleiding moeten geven het betalingsverkeer over de onderhavige betaalrekeningen te onderzoeken. Aangenomen moet worden dat de bank aldus ook zicht zou hebben gekregen op de creditzijde, dus op de grote aantallen bijschrijvingen, de veelal zeer hoge bedragen en de daarbij gebruikte omschrijvingen die duiden op beleggingen. Daarom zou de bank aldus tot het besef gekomen moeten zijn dat de transacties van <P1>. verdacht waren of in elk geval dat <P1>. beleggingsactiviteiten ontplooide (althans: deed voorkomen dat sprake was van beleggingen) die vergunningplichtig waren, zonder dat hij over de vereiste vergunning beschikte. De bank is echter niet aangeslagen op het uitzonderlijke karakter van de betalingen door <P1>. en de bank heeft het betalingsverkeer over de beide rekeningen niet onderzocht, terwijl zij daartoe wel aanleiding had moeten zien. Aldus heeft de bank gehandeld in strijd met haar maatschappelijke zorgplicht. Relativiteit De bank heeft betoogd dat de personen die geld aan <P1>. hebben toevertrouwd tegen beter weten in hebben gehandeld. Zij heeft er onder meer op gewezen dat die beleggers i. op basis van niet of onvolledig ingevulde, inhoudelijk onduidelijke en juridisch evident onvolledige “schuldbekentenissen” ii. vaak zeer substantiële bedragen iii. aan een natuurlijke persoon (<P1>.) hebben betaald, iv. zonder enige vorm van zekerheid of duidelijkheid omtrent terugbetaling v. en zonder dat sprake was van een als normaal te beschouwen financieel product, maar niettemin vi. tegen zeer hoge gegarandeerde rentes tot wel 200% per jaar. Als de zojuist opgesomde omstandigheden onder i-vi ten aanzien van een individuele belegger komen vast te staan, dan is de rechtbank met de bank van oordeel dat, behoudens bijzondere omstandigheden, sprake is van handelen tegen beter weten in, althans van dermate roekeloos handelen dat die belegger zich er niet op kan beroepen dat de bank onvoldoende zorgvuldig jegens hem heeft gehandeld. Wat hier echter ook verder van zij, exacte vaststelling van de omstandigheden waaronder en de basis waarop de beleggers tot hun beleggingsbeslissing zijn gekomen vergt een concrete beoordeling per individuele belegger. Aldus zijn de individuele omstandigheden van belang voor de vraag of voldaan is aan het relativiteitsvereiste in strikte zin. Een dergelijk onderzoek naar individuele omstandigheden gaat het bestek van een collectieve actie te buiten. In zoverre is geen sprake van gelijksoortige belangen als bedoeld in artikel 3:305a BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen