Rb. Rotterdam 7 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1181
AFM heeft de onderneming een bestuurlijke boete opgelegd wegens het aanbieden van beleggingsobjecten zonder vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het begrip beleggingsobject als neergelegd in artikel 1:1 van de Wft niet onduidelijk is, zodat de onderneming het daarmee verband houdende aanbiedingsverbod in artikel 2:55, eerste lid, van de Wft kan worden tegengeworpen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 20 september 2005 (LJN AU3267) en de uitspraak van het College van 30 januari 2007 (LJN AZ9465) waaruit de onderneming had kunnen en moeten afleiden dat aan de intentie van contractspartijen groot gewicht toekomt bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een bepaald financieel product (in die gevallen een effect en in dit geval een beleggingsobject) en dat de subjectieve bedoeling van contractspartijen mede kan worden afgeleid uit de wijze waarop in de praktijk van de verworven rechten gebruik is gemaakt. Deze intentie en subjectieve bedoeling blijken duidelijk uit de brochures van de onderneming; de kopers van een perceel werd daarin immers onder meer een “interessant rendement” en een “aanzienlijke waardestijging” in het vooruitzicht gesteld, zodat hun belegging gericht was op het verkrijgen van een rendement in geld. Dat AFM in een ander geval een boete heeft opgelegd van € 6.000,00 levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel, reeds niet omdat AFM in diverse andere vergelijkbare gevallen eveneens een boete heeft opgelegd van € 24.000,00.
De uitspraak op rechtspraak.nl