Rb. Rotterdam 24 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP9378

Gelet op de te vergaren gegevens kan niet worden staande gehouden dat het hier gaat om uitsluitend doorverwijzen of aanbrengen, zoals eisers menen. [A,B&C] verzorgde het contact tussen consument en de door [A,B&C] geselecteerde aanbieders onder het verstrekken van relevante gegevens voor het afsluiten van een product. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat AFM de VO verweten gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die gericht waren op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst tussen een consument en een aanbieder en derhalve als bemiddelen in de zin van de Wft. Nu [A,B&C] ten tijde hier van belang heeft bemiddeld in verschillende producten zonder toereikende vergunning heeft zij gehandeld in strijd met artikel 2:80 Wft. Daaraan doet niet af dat VO thans over een zogenoemde “lichte vergunning” beschikt, want daaruit blijkt dat het volgens AFM om bemiddelen gaat, zij het dat AFM daarvoor geen kennis van de financiële producten vereist vanwege het ontbreken van inhoudelijk contact met de consument. Omdat na de overtredingen, maar voor de boeteoplegging de naam [A,B&C] is gewijzigd in VO heeft AFM de boete terecht opgelegd aan VO. Hoewel eisers kan worden nagegeven dat AFM gedurende een zekere periode een weifelende houding heeft ingenomen, kon [A,B&C] zich niet, althans niet ten volle onttrekken aan haar eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor naleving van de op haar van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Voorts is van belang dat [A,B&C] haar activiteiten heeft voortgezet ook nadat AFM haar begin 2008 een voornemen tot het geven van een aanwijzing had toegezonden. Dat [A,B&C] telkens een aanvullende aanvraag deed voor een deel van haar bemiddelingsactiviteiten en die ook telkens heeft verkregen maakt haar handelen niet minder verwijtbaar. AFM heeft geen reden gezien de boete, die is opgelegd naar het standaardtarief van € 96.000, te matigen op de voet van artikel 1:81, derde lid, van de Wft. De rechtbank is met eisers van oordeel dat deze boete onevenredig uitpakt voor VO en dat AFM bij de afweging of door haar toepassing gegeven diende te worden aan voornoemde matigingsbevoegdheid vergelijkbare gevallen verschillend heeft afgedaan. De rechtbank ziet daarin aanleiding de boete te matigen tot een bedrag van € 24.000. De beslissingen tot vroegtijdige publicatie van de boete en tot publicatie na onherroepelijkheid ervan kunnen standhouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen