Rb. Rotterdam 16 februari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP6536
Aan de orde is een vordering tot betaling van facturen die betrekking hebben op een opleiding van NCOI waarvoor de zoon zich volgens NCOI zou hebben ingeschreven. De vraag is of de vader als wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon aangesproken kan worden tot betaling van deze facturen. Op grond van artikel 1:253i lid 1 BW wordt de minderjarige die onder gezag van zijn ouders of ouder staat, in rechte door deze vertegenwoordigd. Het verweer strekt tot vernietiging van de mogelijk tussen NCOI en de zoon tot stand gekomen overeenkomst wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger (artikel 1:234 lid 1 jo artikel 3:32 BW). Gebleken is dat de vereiste toestemming in dit geval ontbrak, de zoon onbekwaam was deze rechtshandeling te verrichten en de vader de vernietiging van de overeenkomst tussen de zoon en NCOI kon inroepen. De vader heeft de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen bij wijze van verweer tegen de vordering van NCOI en hiermee is voldaan aan de vereisten die artikel 3:51 lid 3 BW aan een dergelijke vernietiging stelt.
De uitspraak op rechtspraak.nl