Rb. Rotterdam 7 december 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO7553
Herhaald besluit van AFM inzake publicatie van onherroepelijke boete. Bij eerdere besluiten heeft AFM beslist tot toepassing van artikel 1:97 en 1:98 van de Wft. Die besluiten zijn inmiddels onherroepelijk. Gelet op vaste jurisprudentie is een brief van latere datum dat een identiek rechtsgevolg beoogd te sorteren als een eerder (onherroepelijk) besluit niet op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Onder bijzondere omstandigheden kan dit anders liggen. Gelet op het tijdsverloop en de geschetste omstandigheden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onherroepelijke beslissingen tot publicatie uit een oogpunt van rechtsbescherming op de voet van artikel 1:98 van de Wft ambtshalve door AFM aan een nadere besluitvorming zouden moeten worden onderworpen. De brieven van 22 oktober 2010 moeten dan ook worden aangemerkt als de neerslag van die herbeoordeling en zijn derhalve op rechtsgevolg gericht. In zaken waarin de beboete onderneming berust in de boeteoplegging of direct na de vroegtijdige publicatie als bedoeld in artikel 1:97 van de Wft het bezwaar intrekt, dit met het oog op het voorkomen van een tweede publicatie (eerst lange tijd na de eerste publicatie), ligt het in de rede dat AFM rekening houdt met dit belang van de beboete onderneming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verder te gelden dat naarmate AFM na het onherroepelijk worden van de boeteoplegging langer wacht met een tweede publicatie, aangenomen kan worden dat die openbaarmaking in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de naleving van de Wft.
De uitspraak op rechtspraak.nl