Rb. Rotterdam 13 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3965
De minister van VWS heeft op 20 juli 2010 geweigerd Erasmus MC vergunning te verlenen voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI’s) en haar tot en met 15 augustus 2010 vergund om de werkzaamheden af te bouwen. De door Erasmus MC opgeworpen vraag of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om slechts vijf instellingen een vergunning te verlenen vergt een exceptieve toetsing van het Planningsbesluit PCI’s, ICD’s en THI’s, terwijl bij de vraag of Erasmus MC ook anderszins vergunning zou moeten verleend omdat zij behoort tot één van de vijf best presterende instellingen onlosmakelijk samenhangt met de besluiten tot vergunningverlening. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zich in haar beoordeling thans te beperken tot de vraag of ten aanzien van de door de minister verleende overgangsperiode een nadere voorziening dient te worden getroffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die termijn onredelijk kort. Gelet op het belang van Erasmus MC om in elk geval de patiënten die op de wachtlijst staan nog te kunnen opereren, afgezet tegen het naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaarwegende belang van de minister om tot een snelle terugdringing van THI’s buiten de vijf geselecteerde centra te komen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de vergunde overgangstermijn. Hierbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat niet in geschil is dat Erasmus MC op zich voldoet aan de door de minister gehanteerde criteria. In dit verband acht de voorzieningenrechter het voorts niet zonder belang dat Erasmus MC gelet op bijlage 1 van het advies van IGZ behoort tot één van de instellingen met de laagste mortaliteit.
De uitspraak op rechtspraak.nl