Rb. Rotterdam 21 juni 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM8524
De AFM heeft bij het bestreden besluit de vergunning van de vennootschap voor bemiddelen in verschillende financiële producten ingevolge artikel 1:104, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 4:15, eerste lid, van de Wft ingetrokken op de grond dat de bedrijfsvoering van de vennootschap niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van een beheerste bedrijfsvoering. Reden hiervoor was dat door verzoeker niet was gereageerd op achtereenvolgens herhaalde verzoeken om het self assessment 2009 in te vullen, een formeel informatieverzoek en een aanwijzing. Verzoeker had evenmin gereageerd op het voornemen tot intrekking van de vergunning. De AFM kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wft gestelde regels op grond van artikel 1:74, eerste lid, van de Wft van een ieder inlichtingen vorderen, aan welk verzoek ingevolge artikel 5:20 van de Awb binnen de door de AFM gestelde termijn dient te worden voldaan. Vaststaat dat de vennootschap een- en andermaal heeft nagelaten aan dergelijke verzoeken te voldoen, niet alleen ten aanzien van het self assessment 2009, maar eerder ook ten aanzien van de self assessments 2006 en 2008, waarvoor de AFM vier respectievelijk vijf brieven heeft verzonden, steeds met als laatste een formeel informatieverzoek. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit echter niet dat geen sprake is van een beheerste bedrijfsuitoefening, zoals vereist door het op verzoeker toepasselijke artikel 4:15 van de Wft. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, naar ook volgt uit de wetsgeschiedenis, in het tweede lid van genoemd artikel - anders dan in artikel 4:14, tweede lid, van de Wft - niet is voorzien in (bij algemene maatregel van bestuur te stellen) nadere regels ten aanzien van het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s, terwijl de in dat artikellid wel voorziene nadere regels geen betrekking hebben op het voldoen aan informatieverzoeken van de AFM. Dit betekent dat de grondslag van het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand kan houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl