Rb. Rotterdam 26 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL9871
Korte samenvatting: Tabakswetboete aan werkgever wegens blootstellen personeel aan tabaksrook. Naam onderneming. Volstrekt duidelijk is aan wie de boete is opgelegd en wie de overtreding heeft begaan. Eiseres gebruikt op haar website zelf twee handelsnamen, zo is de rechtbank gebleken op de voet van artikel 8:69 lid 3 Awb. Eiseres betoogt dat sprake is van een anonieme verklaring nu de naam onder de processen-verbaal ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het BOA-nummer is vermeld en dat tijdens de inspectie een naamkaartje is afgegeven door de bijzonder opsporingsambtenaar, zodat de processen-verbaal reeds om die reden geen verklaringen van een anonieme getuige behelzen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1997 (NJ 1997, 666). Met betrekking tot de beide processen-verbaal heeft daarentegen te gelden dat zij kwalificeren als processen-verbaal als bedoeld in artikel 344, tweede lid, van Sv. Overeenkomstig die bepaling kan – behoudens gemotiveerde betwisting van hetgeen daarin is neergelegd – in deze procedure worden uitgegaan van de juistheid van de daarin vermelde feitelijke bevindingen alsmede van de juistheid van de opgenomen verklaring van [bestuurder]. De rechtbank vermag niet in te zien dat eiseres er belang bij heeft de bijzonder opsporingsambtenaar van de VWA die de inspectie op 16 mei 2008 heeft verricht en het proces-verbaal heeft opgemaakt alsnog te horen nu de in het proces-verbaal van inspectie neergelegde bevindingen niet zijn weersproken. De rechtbank is verder van oordeel dat de inspectie die plaatsvond zowel kon plaatsvinden uit hoofde van de toezichtsbevoegdheden die zijn neergelegd in de artikelen 5:15, 5:16 en 5:20 van de Awb als de controlebevoegdheid uit hoofde van de artikelen 20 en 24a van de Wet op de economische delicten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiseres tijdens de controle als verdachte in de zin van artikel 29, eerste lid, Sv diende te worden aangemerkt en dat hij daaraan evenmin in redelijkheid de gevolgtrekking kon verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zou worden opgelegd. Een cautie kon derhalve achterwege blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl