Rb. Rotterdam 26 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL9767
Heffing Wet op het financieel toezicht. 1624 financiële dienstverleners zijn opgekomen tegen aan hen opgelegde heffingen door AFM inzake de kosten van doorlopend toezicht over 2008. Exceptieve toetsing van de regelingen aan artikel 1:40 Wft en algemene rechtsbeginselen. De stelling van eisers dat in strijd met de Wft kosten van repressief toezicht worden doorberekend in de heffingen mist feitelijke grondslag. Artikel 1:40, derde lid, van de Wft biedt een expliciete wettelijke grondslag voor het bij de vaststelling van de in rekening te brengen kosten betrekken van het exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 1:35 van de Wft. De rechtbank kan eisers niet volgen in hun betoog dat kosten die gemaakt worden in het kader van de onderhavige en andere procedures tegen de toezichthouder niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 1:40 van de Wft. Het rapport “Maat houden” van de MDW-werkgroep, dat er in voorziet dat de kosten van bezwaar- en beroepsprocedures niet op de markt worden verhaald, kan hier niet aan afdoen. De vaststelling van beleid door AFM moet geacht worden plaats te hebben in het kader van de uitvoering van de Wft, zodat de daarmee gemoeide kosten in rekening kunnen worden gebracht bij de onder toezicht staande ondernemingen. Met betrekking tot de kosten die gemoeid zijn met de vaststelling van voornoemde level 3 documenten in het kader van de CESR komt de rechtbank tot eenzelfde beoordeling. Artikel 1:30, eerste lid, van de Wft staat niet in de weg aan het reserveren van een deel van de begroting voor de dekking van te verwachten wanbetaling in het lopende jaar. Een tekort dat ontstaat door niet voldane heffingsfacturen zal, gelet op artikel 1:35, eerste lid, van de Wft, bijdragen aan een negatief exploitatiesaldo. Gelet op de artikelen 1:35, tweede lid, en 1:40, derde lid, van de Wft kunnen de wanbetalingen ter zake van heffingen over 2007, die drukken op het saldo over dat jaar, leiden tot een hogere heffing over 2008. Nu uit de toepasselijke regelgeving volgt dat halverwege het lopende jaar de in rekening te brengen kosten van toezicht aan de hand van de begroting van AFM en haar exploitatietekort over het voorgaande jaar worden vastgesteld, volgt dat rentelasten in verband met de financiering van de toezichtstaken van AFM vallen onder de op basis van artikel 1:40 van de Wft te verhalen kosten. De rechtbank vermag niet in te zien dat de Regeling 2008 in strijd komt met het profijtbeginsel. Juist door de gebleken noodzaak van intensief toezicht voor de thans aan de orde zijnde groep financiële dienstverleners, waarbij de kosten van niet repressief toezicht via een niet onredelijke verdeelsleutel gespreid worden over alle instellingen in die (sub)categorie, zal ervan uit moeten worden gegaan dat al die instellingen van dat toezicht in algemene zin profijt hebben, in het bijzonder omdat daarmee het belang van vertrouwen in de financiële markt is gediend. Het beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens. In casu is geen sprake van een explosieve stijging van de heffingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl