Rb. Rotterdam 30 september 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9321
Het beroep is gericht tegen het besluit van 3 december 2007 (Stcrt. 20 december 2007, nr. 247, p. 17) houdende wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2005 (hierna: NFP). Daarmee heeft verweerder een aantal wijzigingen in het NFP doorgevoerd, waarbij onder andere frequenties in de 2,6 GHz-band met ingang van 1 januari 2008 beschikbaar zijn gesteld voor mobiele communicatiediensten. Deze wijziging hangt samen met het (Europese) beleid om frequenties zo veel mogelijk technologie- en dienstenneutraal en met zo min mogelijk beperkingen te bestemmen: flexibilisering van het frequentiespectrum. Door de onderhavige wijziging van het NFP kunnen voor de frequenties in de 2,6 GHz-band vergunningen worden uitgegeven. Eiseres heeft een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte in de 3,5 GHz-band, waaraan de beperkende voorwaarde is verbonden dat mobiel gebruik niet is toegestaan. Het beroep van eiseres ziet op de omstandigheid dat niet gelijktijdig met de wijziging van het NFP ten aanzien van de bestemming van de frequenties in de 2,6 Ghz-band ook die in de 3,5 GHz-band is verruimd. Als ook de bestemming van de frequenties in de 3,5 Ghz-band zouden worden verruimd, heeft eiseres de mogelijkheid om wijziging van haar vergunning te verzoeken in die zin dat de aan haar vergunning verbonden beperkende voorwaarde komt te vervallen, waardoor zij ook mobiele elektronische communicatiediensten zou kunnen aanbieden. De rechtbank is van oordeel dat op verweerder niet de verplichting rustte om bij (of gelijktijdig met) het bestreden besluit tevens de bestemming van de frequenties in de 3,5 GHz-band te verruimen.
De uitspraak op rechtspraak.nl