Rb. Rotterdam 16 september 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8562
De AFM heeft de betrokken financiële dienstverlener een boete opgelegd van € 6.000,- wegens overtreding van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet op het financieel toezicht. Een voorziening is verzocht met betrekking tot de beslissing van de AFM tot vroegtijdige openbaarmaking van de boeteoplegging. Met de AFM is de voorzieningenrechter van oordeel dat door de betrokken onderneming niet aantoonbaar voldoende informatie is ingewonnen bij de consument over de financiële positie, de doelstellingen en de risicobereidheid van de consument. Voor zover de onderneming bewijs wenst aan te dragen voor haar stelling dat zij wel de nodige informatie heeft ingewonnen staat het haar vrij dit – met inachtneming van een goede procesorde – in elke stand van het geding te doen, maar de voorzieningenrechter ziet thans geen aanleiding gevolgen te verbinden aan het bewijsaanbod dat zij heeft gedaan aan de AFM. Daar komt bij dat de onderneming niet slechts wordt verweten dat zij onvoldoende informatie bij de consument heeft ingewonnen, maar dat zij (voor zover door haar wel informatie is ingewonnen) voorts geen passend advies heeft gegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl