Rb. Rotterdam 9 maart 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH5376
Op basis van de feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder ten aanzien van beide verzoeksters de discretionaire bevoegdheid toekomt om, wegens het niet voldoen aan de financiële verplichtingen, met toepassing van artikel 3.7. tweede lid, aanhef en onder b, van de Telecommunicatiewet hun frequentievergunningen in te trekken. Met hun belangen en die van hun luisteraars is rekening gehouden. Verzoekster zijn door verweerder meerdere malen in de gelegenheid gesteld om alsnog aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Hoewel de kredietcrisis een extra handicap vormt om financiers te vinden bestonden de betalingsproblemen al ruimschoots voor die crisis. Gelet op het tijdsverloop is er geen sprake van een onevenredige belangenafweging. Nu voorts niet aannemelijk is gemaakt noch aangetoond dat verzoeksters in korte tijd nog in staat zouden zijn om alsnog aan hun betalingsverplichtingen te voldoen heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de vergunning van verzoeksters in te trekken. Geen aanleidng tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl