Rb. Rotterdam 26 september 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB7422

Verzet door een Nederlandse partij tegen een aan haar Italiaanse wederpartij verleend verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) van een Italiaans vonnis op grond van de EEX-Verordening (EEX-Vo), bij welk vonnis de Nederlandse partij tot betaling aan de Italiaanse partij is veroordeeld. Tegen het vonnis heeft de Nederlandse partij appel ingesteld. In een tussenarrest heeft het Italiaanse hof het verzoek van de Nederlandse partij om zekerheidsstelling door de Italiaanse partij in afwachting van het eindarrest in appel afgewezen. In het dictum van dat tussenarrest is de zaak voor verdere behandeling in de hoofdzaak naar de rol van 7 februari 2011 om 10.15 uur verwezen. Het verzoek om vernietiging slaagt niet bij gebrek aan enige aangevoerde grond voor de weigering of intrekking van het exequatur als bedoeld in artt 34 en 35 EEX-Vo. Daarmee is ook de basis ontvallen aan het schorsingsverzoek als geregeld in art 46 lid 1 EEX-Vo. Ten slotte heeft de Nederlandse partij in de onderhavige procedure ook nog een verzoek om zekerheidsstelling gedaan. Vaststaat dat genoemde beslissing van de Italiaanse appelrechter tot afwijzing van het in Italië gedane verzoek om zekerheidsstelling in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. Nu het voor de Nederlandse rechter gedane verzoek om zekerheidsstelling bovendien dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak betreft als het in Italië gedane zekerheidsstellingsverzoek, dient ook het eerste verzoek te worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen