Rb. Rotterdam 7 augustus 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB4603

Gemeentewet + Legesverordening 2005 van de gemeente Rotterdam Verweerder heeft wegens het in behandeling nemen van vier aanvragen om instemming inzake het leggen, hebben, exploiteren van diverse HDPE buizen alsmede vijf aanvragen om registratie van een melding in verband met een calamiteit aan [X} B.V. bij separate nota’s negen aanslagen leges gemeentewerken opgelegd. De rechtbank overweegt dat de Kaderrichtlijn 2002/21/EG en de Machtigingsrichtlijn 2002/20/EG niet van toepassing zijn op de in geding zijnde legesheffing voor het in behandeling nemen van aanvragen tot verlening van instemmingsbesluiten, aangezien deze instemmingsbesluiten geen onderdeel vormen van de machtigingsprocedure en ook geen machtigingen zijn in de zin van de door eiseres vermelde richtlijnen. De instemmingsbesluiten strekken immers niet tot het verlenen van rechten tot het aanbieden van elektronische communicatienetwerken maar slechts tot het verlenen van instemming tot het leggen van kabels en leidingen .daar komt nog bij dat, nu de gemeente Rotterdam niet als nationaale regelgevende instantie in de zin van de Kaderrichtlijn is aangewezen, zij geen machtigingen in de zin van genoemde richtlijnen kan verlenen en overigens feitelijk ook geen enkele rol speelt in de machtigingsprocedure. Bij het heffen van leges ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een instemmingsbesluit is derhalve geen sprake van een administratieve bijdrage in het kader van een algemene machtiging in de zin van artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn. Voorts wordt overwogen dat de onderhavige leges onder de werking van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet vallen. Het feit dat er in de Telecommunicatiewet speciale regels zijn opgenomen voor kabels en leidingen van telecommunicatiewerken is niet van belang. De gemeente ontleent de bevoegdheid om leges te heffen ter zaken van het in behandeling nemen van aanvragen tot verlening van instemmingsbesluiten immers niet aan de Telecommunicatiewet maar aan artikel 229b, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet. In de onderhavige gevallen is gesteld noch gebleken dat de geraamde opbrengst van de gezamenlijke heffingen in de Legesverordening uitgaan boven de geraamde uitgaven terzake. Voorts heeft verweerder ter zitting zich op het standpunt gesteld dat de gemeente Rotterdam op het niveau van hoofdstuk 11 van de Legesverordening streeft naar kostendekkendheid, welk standpunt wordt bevestigd door het door verweerder in beroep overgelegde overzicht uit de gemeentebegroting over het jaar 2005. Nu de opbrengstlimiet van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet geldt voor de Legesverordening als geheel, is voor de toetsing aan de opbrengstlimiet niet meer van belang of de geraamde opbrengst van een afzonderlijke heffing al dan niet uitgaat boven de ter zake geraamde uitgaven. Het beroep van eiseres op het controleerbaarheidsvereiste, zoals verwoord door de Hoge Raad in zijn arresten van 31 maart 1999, nr. 33 427, BNB 1999/221 en van 12 oktober 2001, nr. 36 011, BNB 2001/404, kan reeds niet slagen omdat dit direct samenhangt met de onjuiste uitleg door eiseres van de opbrengstlimiet van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen