Rb. Rotterdam 14 maart 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA0915
In dit geschil dient de vraag te worden beantwoord of gedaagde zich jegens de bank hoofdelijk, danwel als borg heeft verbonden. De bewoordingen waarmee iemand zich verbindt zijn, hoewel relevant, niet beslissend bij de vraag of er sprake is van borgtocht. Ook als iemand verklaart zich te verbinden als hoofdelijk schuldenaar, maar de schuldeiser bij het aangaan van de overeenkomst weet dat de schuld degene niet aangaat en hij dus niet draagplichtig is, moet de desbetreffende overeenkomst worden gekwalificeerd als borgtocht. Nu gelet op de stellingen van Kranenburg die door de Bank niet zijn betwist ervan moet worden uitgegaan dat het krediet hem niet aanging en hij slechts zekerheid wilde verschaffen, hetgeen de Bank ook wist en ook uit de overeenkomst zelf volgt dat Kranenburg zich verbindt voor hetgeen de Bank van de kredietnemers te vorderen heeft, hebben partijen in het onderhavige geval, ondanks dat er in de overeenkomst staat dat Kranenburg zich hoofdelijk verbindt, een borgtochtovereenkomst gesloten, zodat bij de beoordeling van de onderhavige vordering daarvan wordt uitgegaan. Voorts komt aan de orde of de echtgenote van gedaagde de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd wegens het ontbreken van haar toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW. Verder komt aan de orde de vraag of er in casu sprake is van particuliere- danwel professionele borgstelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl