Rb. Rotterdam 1 juli 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AP9857
Verlenging vergunningen van de commerciële radio-omroepen tot 1 september 2002. De rechtbank is van oordeel dat terecht artikel 9 van het Frequentiebesluit aan de verlengingsbesluiten ten grondslag is gelegd. Daarnaast is er geen sprake van algemene maatschappelijke, culturele of economische belangen die vorderen dat de vergunningen voor een – veel – langere periode dan één jaar verlengd hadden moeten worden. Bovendien mocht een nieuw voorschrift aan de frequentievergunningen toegevoegd worden. Door een korte verlenging is zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen van nieuwkomers. Niet kan worden gezegd dat ten tijde van de bestreden besluiten er niet een reëel uitzicht bestond dat binnen een redelijke termijn de implementatie van de uitkomst van de veiling of de vergelijkende toets binnen afzienbare tijd plaats zal vinden. De implementatie van het zero base-onderzoek heeft steeds de uiterste grens gevormd voor de verlenging. Bovendien kan niet worden gesteld dat onrechtmatig tijd is gerekt. Verweerder heeft het uitgangspunt mogen hanteren dat voorafgaand aan zero base geen tussentijdse verdeling van nieuwe frequenties meer zal plaatsvinden. Dat afronding van het zero base-onderzoek meer tijd in beslag heeft genomen dan was voorzien betekent niet dat tijde van de bestreden besluiten niet meer kan worden gesproken van een tijdelijke situatie. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl