Rb. Rotterdam 20 juli 2001, ECLI:NL:RBROT:2001:AD3775
Art. 2.3 Btzr is in strijd met art. 1 jo. art. 5.1 AWGB wegens verboden onderscheid naar burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden. Afwijzing aanvraag voor een tegemoetkoming voor zijn oudste kind o.g.v. art. 2.3, tweede volzin, Btzr. Anders dan eiser is verweerder van mening dat slechts één van beide echtgenoten de aanspraak op tegemoetkoming te gelde kan maken. In tegenstelling tot de regeling die van kracht was voor de inwerkingtreding van de Btzr, waar in een dergelijke situatie alleen de vrouw een aanvraag te gelde kon maken, is er onder de huidige regeling een keuzevrijheid voor de partners ten aanzien van de vraag wie van hen een aanvraag te gelde kan maken. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen o.g.v. art. 2.3, tweede volzin Btzr. Naar het oordeel van de rechtbank moet evenwel worden aangenomen dat dit artikellid ziet op het te gelde maken van de aanspraak van echtgenoten op een tegemoetkoming voor verschillende kinderen uit één gezin. I.c. is hiervan geen sprake. Derhalve heeft verweerder het besluit op onjuiste gronden genomen. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook indien verweerders uitleg van art. 2.3 Btzr juist zou zijn het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking zou komen, nu dit besluit eveneens getoetst dient te worden aan het verbod van ongelijke behandeling zoals neergelegd in de AWGB. De rechtbank stelt vast dat de regel dat er binnen één gezin slechts eenmaal een aanspraak op een extra tegemoetkoming voor een kind jonger dan 16 jaar te gelde kan worden gemaakt, tot gevolg heeft, dat ten aanzien van een deel van de ambtenaren die gehuwd zijn - hieronder wordt tevens de daarmee gelijkgestelden verstaan - anders wordt gehandeld dan ten aanzien van ambtenaren die niet gehuwd zijn. Immers, van de niet gehuwde ambtenaren met één of meerdere kinderen jonger dan 16 jaar kan een ieder een tegemoetkoming voor één kind te gelde maken, terwijl van de gehuwde ambtenaren met één of meerdere kinderen jonger dan 16 jaar een deel geen tegemoetkoming voor één kind te gelde kan maken, te weten de ambtenaren wiens partner een tegemoetkoming voor één kind te gelde heeft gemaakt, zelfs indien laatstbedoelde tegemoetkoming slechts een gedeeltelijke is in verband met een parttime dienstverband. Derhalve is sprake van een (direct) onderscheid op grond van burgerlijke staat als bedoeld in art. 1 jo. 5.1.d AWGB. Beroep gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen. Staatssecretaris van Financiën, verweerder. mrs. W.I. Degeling, R. Kruisdijk, E.F. Lagerwerf-Vergunst
De uitspraak op rechtspraak.nl